Wratten, kleine huiduitstulpingen met een bijzonder verhaal

Wratten zijn harde knobbeltjes op de huid. Ze voelen vaak ruw en bobbelig aan en kunnen sterk verschillen in grootte en vorm. Sommige zijn vrijwel vlak, terwijl andere duidelijk boven de huid uitsteken en door hun onregelmatige oppervlak een beetje op een heel kleine bloemkool lijken.
Wratten komen vooral voor op de handen, vingers en voeten, maar kunnen in principe op verschillende plaatsen van het lichaam ontstaan. Soms verschijnt er maar één wrat, soms ontstaan er meerdere bij elkaar.
Een gewone wrat doet meestal geen pijn. Dat kan anders zijn wanneer een wrat zich aan de onderkant van de voet bevindt. Door het lichaamsgewicht en de druk tijdens het lopen wordt zo’n wrat naar binnen gedrukt en kan er een verdikte eeltlaag overheen ontstaan. Hierdoor kan staan of lopen behoorlijk gevoelig of zelfs pijnlijk worden.
Wat we aan de buitenkant zien als een eenvoudig bobbeltje, is onder de microscoop echter een opmerkelijke verandering van de opperhuid (epidermis). De normale opbouw van de opperhuid wordt plaatselijk dikker: huidcellen stapelen zich op en de hoornlaag kan sterk toenemen. Daardoor ontstaat uiteindelijk het typische harde en ruwe oppervlak van een wrat.
Om te begrijpen wat er bij een wrat in de huid gebeurt, is het daarom interessant om eerst naar de anatomie van de opperhuid te kijken. Uit welke lagen bestaat ze, waar worden nieuwe huidcellen gevormd en welke lagen veranderen wanneer een wrat zich ontwikkelt? Daar begint het verhaal van de wrat.

Deze afbeelding laat zien dat een wrat geen afzonderlijk bolletje is dat zomaar boven op de huid ligt. Het is een plaatselijke verandering van de opperhuid, waarbij verschillende lagen van de epidermis verdikt raken en de normale opbouw van de huid plaatselijk verandert. Tot zover kunnen we eenvoudig beschrijven wat we anatomisch waarnemen. De volgende vraag is van een andere orde: waarom ontstaat deze verandering juist op een bepaalde plaats en op een bepaald moment? En waarom kan een wrat lange tijd blijven bestaan, terwijl hij soms ook spontaan weer verdwijnt?
De visie vanuit de Germaanse geneeskunde
De opperhuid wordt aangestuurd vanuit de sensorische cortex (deel van de hersenschors). De huid van de rechterkant van het lichaam wordt aangestuurd vanuit de linkerkant van de sensorische cortex; de huid van de linkerkant van het lichaam wordt aangestuurd vanuit de rechter corticale hemisfeer. Daarom is er een kruislings verband tussen de hersenen en het orgaan (zie GNM-diagram dat de sensorische homunculus weergeeft.)

Of de rechter- of linker kant van het lichaam is aangedaan wordt bepaald door de handigheid van een persoon en of het conflict moeder/kind of partnergerelateerd is. Een gelokaliseerd scheidingsconflict beïnvloedt het deel van de huid dat met de scheiding wordt geassocieerd zoals we dit zien bij wratten.
Het biologisch conflict
Het biologisch conflict gaat over een lokaal ervaren scheidingsconflict. Een scheidingsconflict hoeft daarbij niet uitsluitend over een letterlijke, lichamelijke scheiding te gaan. Het kan zowel fysiek als figuurlijk worden beleefd. De vraag is telkens: wat wilde ik op deze specifieke plaats van mijn lichaam niet voelen of aanraken, waarvan wilde ik mij losmaken, of welk contact wilde ik juist behouden?
Bij wratten op handen en vingers kan de precieze plaats een aanwijzing geven voor de manier waarop het scheidingsconflict werd ervaren. Aan de buitenzijde van handen en vingers kan het bijvoorbeeld gaan om iets of iemand van zich af willen houden: een ongewenste aanraking, iets willen wegduwen of letterlijk geen contact met iets willen hebben.
Aan de binnenzijde van handen en vingers ligt de nadruk eerder op aanraken, voelen en vastnemen. Iemand zou iets willen aanraken of vasthouden maar kan of mag dat niet, of moet juist iets vastnemen waarmee hij geen contact wil hebben. Ook het verlies van gewenst lichamelijk contact kan als een lokaal scheidingsconflict worden geïnterpreteerd.
Maar de aanraking hoeft niet letterlijk te zijn. Ook bekeken worden kan figuurlijk als een ongewenst contact met een bepaalde lichaamsdelen zoals vingers worden ervaren. Denk bijvoorbeeld aan een kind dat leert schrijven terwijl zijn vader voortdurend streng over zijn schouder meekijkt. Het kind ervaart die blik heel specifiek op de vingers waarmee het schrijft: kijk niet voortdurend naar mijn vingers; laat mij met rust.
Als de handen bijvoorbeeld aangetast zijn, gaat het om denigrerende blikken in relatie tot een activiteit of werk. De eerste activiteiten hier kunnen als een negatieve waarneming zijn ervaren: toen had je het gevoel dat je niet goed/mooi genoeg kon schrijven of knutselen.
Een ander voorbeeld is iemand die met grote tegenzin in een fabriek werkt en dagelijks voorwerpen moet vastnemen die hij eigenlijk niet meer wil aanraken. De handen vormen dan letterlijk het contactpunt tussen de persoon en datgene waarvan hij zich zou willen distantiëren.
Een scheidingsconflict kan ook tegenstrijdige gevoelens bevatten. Bijvoorbeeld een linkshandige vrouw die aan de binnenzijde van haar linker bovenarm een wrat ontwikkelt. Ze verlangt ernaar haar partner tegen zich aan te trekken en te knuffelen. Haar partner sport echter veel en zweet overvloedig. Ze wil het lichamelijke contact, maar tegelijkertijd walgt ze van het zweet dat daarbij tegen haar bovenarm komt.

Bij voetwratten wordt het lokale scheidingsthema verbonden met staan, lopen, de ondergrond en de plaats waar iemand zich bevindt.,De beleving kan zijn: Ik wil weg van de grond waarop ik sta. Maar ook het tegenovergestelde kan voorkomen: Ik wil deze plek juist niet verlaten. Daarmee kan de symbolische betekenis van grond ruimer worden dan alleen de letterlijke vloer onder onze voeten. Het kan binnen deze interpretatie gaan om een werkplek, sportclub, woning, dorp, stad of zelfs een land waar iemand niet meer wil zijn, of waar iemand juist niet van weg wil.
Ook schoeisel kan heel letterlijk bij die lokale beleving betrokken zijn. Iemand die dagelijks werklaarzen moet dragen die knellen en die hij het liefst onmiddellijk zou uittrekken, kan het ongewenste contact vooral ervaren op de plaatsen waar de schoen tegen de voet drukt. Hetzelfde geldt voor een likdoorn, gewoonlijk een “eksteroog” genoemd.
Wanneer dezelfde situaties telkens opnieuw wordt beleefd, kan men spreken van conflictrecidieven. Conflictrecidieven liggen aan de basis van het ontstaan van wratten.
Bij dieren wordt op een vergelijkbare manier naar dergelijke veranderingen gekeken. Een verandering van leefomgeving, zoals een ongewenste verhuizing, zou dan vanuit hetzelfde principe van plaats, contact en scheiding worden geïnterpreteerd.
De conflictactieve fase
Tijdens de conflictactieve fase ontstaat op de lokale plaats die met het scheidingsconflict wordt geassocieerd een weefselverlies in de opperhuid. Het gaat om een microscopische ulceratie. Omdat deze veranderingen zo klein zijn, zijn ze met het blote oog doorgaans niet waarneembaar en veroorzaken ze geen zichtbare huidwonde of symptomen. De betrokken huid kan er aan de buitenkant dan ook vrijwel normaal blijven uitzien. Pas bij het daaropvolgende herstel zou de plaatselijke verandering duidelijker tot uiting kunnen komen.
De genezingsfase
Wanneer het scheidingsconflict wordt opgelost, begint de helingsfase. Tijdens het eerste deel daarvan (de PCL-A-fase), wordt het gebied waar tijdens de conflictactieve fase microscopisch weefselverlies is ontstaan, opnieuw aangevuld met weefsel. De opperhuid probeert als het ware haar oorspronkelijke structuur te herstellen.
Wanneer dit herstelproces rustig kan worden voltooid, hoeft daaruit geen blijvende verdikking te ontstaan. Anders wordt het wanneer het oorspronkelijke scheidingsconflict telkens opnieuw wordt geactiveerd. Men spreekt dan van conflictrecidieven.
Het individu komt opnieuw in dezelfde situatie, ziet opnieuw dezelfde persoon, trekt opnieuw dezelfde schoenen aan, moet opnieuw hetzelfde voorwerp vastnemen of wordt opnieuw geconfronteerd met datgene waarvan hij zich eigenlijk wilde scheiden. Er volgt opnieuw een korte conflictactieve fase en vervolgens, zodra de situatie weer voorbij is, opnieuw herstel.
Zo ontstaat een voortdurend heen-en-weer bewegen tussen conflictactiviteit en genezing. De huid krijgt telkens de aanzet om te herstellen, maar het genezingsproces kan door een volgend recidief niet volledig tot voltooiing komen. Het lokale weefsel wordt steeds dikker en sterker verhoornd. Uiteindelijk wordt deze plaatselijke verdikking aan het huidoppervlak zichtbaar als wat we een wrat noemen.
De wrat is een lokaal hangend genezingsproces: geen eenmalige gebeurtenis, maar een proces waarbij conflictactiviteit en herstel elkaar steeds opnieuw afwisselen met overmatige weefselgroei tot gevolg.
Niet het conflict op zich vormt de basis van de wrat, maar het recidiverende karakter ervan: telkens opnieuw conflictactiviteit, gevolgd door herstel, waardoor een hangend genezingsproces ontstaat.
De interessante vraag wordt dan niet alleen waar zit de wrat? Maar wat gebeurt er op die specifieke plaats telkens opnieuw? Welk contact wil iemand daar verliezen, vermijden of juist behouden? Dat vormt binnen de Germaanse Geneeskunde het uitgangspunt om naar de individuele betekenis van een wrat te zoeken.
Waterwratjes
Zogenaamde waterwratjes (mollusca contagiosa) zijn verheven, roze of vleeskleurige papillen met een kuiltje in het midden. De aandoening wordt naar verluidt veroorzaakt door het “molluscum contagiosum pox-virus” en wordt, zoals de naam al impliceert, beschouwd als een besmettelijke infectie die wordt overgedragen via fysiek of seksueel contact. De locatie van de wratachtige gezwellen (gezicht, nek, romp, ledematen, genitaliën) wordt bepaald door het lichaamsgebied dat met het scheidingsconflict werd geassocieerd. De virustheorie kan niet verklaren waarom de aandoening op een bepaald deel van de huid voorkomt, bijvoorbeeld aan de buitenkant van de rechter dij.
Genitale wratten en het seksuele scheidingsconflict
Genitale wratten (condyloma) op de externe geslachtsorganen, in de vagina, in de baarmoederhals of op de penis duiden op aanhoudende seksuele scheidingsconflicten.
Zo’n seksuele scheiding hoeft niet noodzakelijk te betekenen dat een relatie daadwerkelijk wordt beëindigd. De beleving kan bijvoorbeeld zijn: ik verlang naar het intieme contact met mijn partner, maar hij of zij wijst mij telkens af. Omgekeerd kan iemand juist seksuele toenadering ervaren terwijl hij of zij dat contact niet wil: ik wil daar niet aangeraakt worden.
Ook hier kunnen dus twee tegengestelde belevingen voorkomen: een gewenst intiem contact verliezen of missen, of juist van een ongewenst intiem contact gescheiden willen worden.
Stel bijvoorbeeld dat een vrouw verlangt naar seksuele intimiteit met haar partner. Haar partner heeft echter gedurende langere tijd weinig behoefte aan seks en wijst haar toenadering regelmatig af. Voor haar gaat het niet alleen om het ontbreken van seksualiteit; ze ervaart heel concreet dat het gewenste lichamelijke contact met haar geslachtsdelen niet meer plaatsvindt.
Na een verzoening hebben ze opnieuw intiem contact en ervaart zij de situatie als opgelost. Enkele dagen of weken later ontstaat echter opnieuw afstand en afwijzing. Daarna volgt weer toenadering. Binnen het GNM-model kan zo een patroon ontstaan van scheiding, hereniging, nieuwe scheiding, nieuwe hereniging.
Juist deze herhaling wordt een conflictrecidief genoemd. Wanneer hetzelfde lokale conflict steeds opnieuw wordt geactiveerd, zou ook het herstelproces telkens opnieuw worden onderbroken en hervat. De genitale wrat wordt dan geïnterpreteerd als uiting van zo’n hangend genezingsproces.
Daarom wordt niet alleen gevraagd waar de wrat zich bevindt, maar ook: welk intiem contact werd op precies deze plaats gemist, verloren of juist als ongewenst ervaren, en welke situatie zorgt ervoor dat deze beleving telkens opnieuw terugkomt?
Anale wratten ontwikkelen zich in of rond de anus (vergelijk met aambeien die verband houden met het oppervlakkig rectumslijmvlies). Zie het artikel over aambeien op deze website.
In de conventionele geneeskunde wordt een wratachtige groei in of rond de anus aangeduid als een anale wrat. De term papilloom verwijst daarentegen naar een goedaardige epitheliale groei met een karakteristiek papillair, vaak vingervormig of bloemkoolachtig groeipatroon, maar het is geen kanker. Kanker komt niet voor op ectoderm.
Hoewel beide vormen uiterlijk op elkaar kunnen lijken, zijn de begrippen niet volledig uitwisselbaar. Binnen de GNM wordt hun ontstaan, wanneer hetzelfde ectodermale weefsel betrokken is, vanuit een vergelijkbaar mechanisme van lokale conflictactiviteit, herstel en herhaalde conflictrecidieven bepaald. (zie ook intraductaal papilloom, bij borstkanker op deze website).
Steelwratjes
Steelwratjes zijn kleine, zachte huiduitstulpingen die aan een smal steeltje van de huid kunnen afhangen. Hoewel de naam anders doet vermoeden, zijn het vanuit dermatologisch oogpunt geen echte wratten. Ze worden acrochordons of fibroepitheliale poliepen genoemd en bestaan uit een kern van bindweefsel die door opperhuid wordt bedekt. Dat bindweefsel is afkomstig uit de dermis/lederhuid. De epidermis vormt dus als het ware het buitenste jasje rond een dermale bindweefselkern.
Bij een gewone wrat staat de epidermale verdikking centraal, bij een steelwratje bevindt zich onder de epidermale bekleding ook een duidelijke bindweefselkern met kleine bloedvaatjes. Hoe Dr. Hamer het steelwratje specifiek heeft beschreven en hoe hij deze combinatie van weefsels precies indeelde, weet ik op dit moment niet. Ik wil daar dan ook geen verklaring aan toevoegen die ik niet bij hem kan terugvinden. Daarom laat ik dit voorlopig als een open vraag staan.
En welke rol speelt HPV?
In de reguliere geneeskunde wordt het humaan papillomavirus (HPV) beschouwd als de veroorzaker van veel gewone en genitale wratten. HPV-materiaal wordt inderdaad zeer vaak in wratten aangetroffen en verschillende HPV-typen vertonen een duidelijke samenhang met bepaalde huid- en slijmvliesafwijkingen.
De Germaanse Geneeskunde interpreteert deze aanwezigheid anders. Binnen de vierde biologische natuurwet wordt bij ectodermaal weefsel, waartoe de opperhuid behoort, niet uitgegaan van een ziekteverwekker die het herstel veroorzaakt. Wat regulier als virale activiteit wordt geïnterpreteerd, wordt binnen de GNM geplaatst binnen de biologische processen die tijdens conflict en herstel in het betrokken weefsel plaatsvinden. De aangetroffen biologische deeltjes en eiwitstructuren worden binnen dit model dus niet primair gezien als een aanvaller van buitenaf, maar als verschijnselen die samengaan met herstelprocessen van het organisme zelf.
Vanuit die gedachte wordt de aanwezigheid van HPV bij een wrat niet automatisch gelijkgesteld aan de oorspronkelijke oorzaak van de lokale weefselverandering. De GNM zoekt die oorzaak in het voorafgaande lokale scheidingsconflict en, bij een blijvende wrat, in de herhaalde conflictrecidieven. HPV wordt binnen deze visie dus niet als het uitgangspunt van het proces beschouwd, maar geïnterpreteerd in samenhang met het herstelproces.
In overeenstemming met evolutionair redeneren zouden VIRUSSEN, in theorie: de reconstructies moeten ondersteunen van organen en weefsels die afkomstig zijn van het ectoderm (aangestuurd vanuit de hersenschors). We zien ook dat de zogezegde ‘virusbesmettingen’ altijd te maken hebben met een ectodermaal weefsel.
Natuurlijke ondersteuning bij wratten
Wratten kunnen ook spontaan verdwijnen zonder enige behandeling. Vooral bij kinderen zien we regelmatig dat een wrat na verloop van tijd vanzelf kleiner wordt en uiteindelijk volledig verdwijnt. Wanneer het lokale scheidingsconflict en vooral de terugkerende conflictrecidieven ophouden, kan het hangende genezingsproces uiteindelijk tot rust komen en zich kunnen voltooien.
Daarnaast kent de volksgeneeskunde verschillende natuurlijke middelen die van oudsher bij wratten worden gebruikt. Ze kunnen vooral plaatselijk op het verdikte en verhoornde weefsel inwerken.
Een van de bekendste planten is stinkende gouwe (Chelidonium majus). Wanneer een vers stengeltje wordt afgebroken, verschijnt een opvallend geel-oranje melksap. Dit sap werd traditioneel rechtstreeks op een wrat aangebracht. Het gebruik ervan tegen wratten kent in Europa een lange geschiedenis. Het sap kan echter behoorlijk irriterend zijn voor de gezonde huid en is daarom niet geschikt voor slijmvliezen, ogen of genitale wratten. Inwendig gebruik is eveneens af te raden.
Ook knoflook wordt traditioneel plaatselijk toegepast. Knoflook bevat verschillende biologisch actieve zwavelverbindingen, maar vers knoflook langdurig op de huid laten zitten kan sterke irritatie en zelfs brandwondachtige huidbeschadiging veroorzaken.
Andere populaire huismiddelen zijn tea-treeolie en appelazijn. Vooral met onverdunde appelazijn moet men voorzichtig zijn, omdat het zuur niet alleen de wrat maar ook de omliggende gezonde huid kan beschadigen.
Een eenvoudige ondersteunende aanpak bestaat uit het weken van de wrat en voorzichtig verminderen van de overtollige hoornlaag. Ook salicylzuur, hoewel geen kruidenmiddel, werkt keratolytisch: het helpt de sterk verhoornde bovenste huidlagen geleidelijk los te maken en behoort tot de beter onderzochte lokale behandelingen van gewone wratten.
Vanuit de GNM blijft daarbij echter een andere vraag centraal staan. Een plaatselijk middel kan volgens deze visie iets doen met het zichtbare weefsel, maar daarmee is het onderliggende conflictpatroon nog niet noodzakelijk veranderd. Wanneer dezelfde lokale scheidingsbeleving telkens terugkeert, wordt het proces opnieuw geactiveerd.
Wanneer een wrat daarentegen zonder behandeling plotseling begint te verdwijnen, zou men vanuit de GNM daarom ook kunnen vragen: wat is er in mijn leven veranderd? Is een bepaalde situatie voorbij? Is een ongewenst contact verdwenen, of heb ik een scheiding die mij bezighield uiteindelijk kunnen aanvaarden?
Met dank aan: Caroline Markolin, PH.D. https: //LearningGNM.com
Arjen Lievers https://www.germaansegeneeskunde.nl/index_ziekten_gnm/
Dr. Geerd Ryke Hamer
Gerelateerde Publicaties



