Acromegalie: Wanneer het lichaam blijft groeien

Acromegalie is een aandoening die te maken heeft met een overmatige werking van het groeihormoon en waarbij de hypofyse een centrale rol speelt.

Maar om acromegalie goed te kunnen begrijpen, moeten we eerst even kijken naar dit bijzondere kleine orgaantje en naar de bijzondere samenwerking tussen de hypothalamus en de hypofyse. Twee kleine structuren diep in onze hersenen die samen een belangrijke schakel vormen tussen het zenuwstelsel en het hormonale systeem.

De hypofyse is een endocriene klier, wat betekent dat zij haar hormonen rechtstreeks aan het bloed afgeeft. Ze bevindt zich aan de basis van de hersenen, vlak onder de hypothalamus, in een kleine zadelvormige uitholling van het wiggenbeen: het Turkse zadel, of sella turcica.

Wil je je ongeveer voorstellen waar de hypofyse ligt, trek dan denkbeeldig een lijn van de ene slaap naar de andere. Diep in het hoofd, ongeveer achter de neusbrug, bevindt zich dit kleine orgaantje. De hypofyse is nauwelijks groter dan een volwassen erwt en toch heeft ze een enorme invloed op het lichaam. Vaak wordt ze de dirigent van het hormonale orkest genoemd, omdat haar hormonen verschillende andere endocriene klieren en lichaamsfuncties aansturen.

Maar wanneer we iets verder kijken, ontdekken we dat er eigenlijk nóg een dirigent boven de dirigent staat: de hypothalamus. De hypothalamus ligt direct boven de hypofyse en vormt als het ware de verbinding tussen ons zenuwstelsel en ons hormonale systeem. Hij ontvangt voortdurend informatie over wat er in het lichaam gebeurt en speelt een belangrijke rol bij onder andere temperatuurregeling, waterhuishouding, energiebalans en hormonale terugkoppeling.

Op basis van die informatie stuurt de hypothalamus de hypofyse aan. Dat doet hij onder andere door zelf kleine hoeveelheden releasing- en inhibiting-hormonen te produceren: hormonen die de hypofyse als het ware vertellen wanneer zij bepaalde hormonen moet afgeven en wanneer zij juist moet afremmen.

Releasing betekent letterlijk vrijgeven of stimuleren. Een releasing hormoon van de hypothalamus geeft als het ware het signaal aan de hypofyse: “Je mag dit hormoon gaan afgeven.” Inhibiting betekent remmen of tegenhouden. Een inhibiting hormoon geeft juist het signaal: “Verminder of stop de afgifte van dit hormoon.”

Zo ontstaat voortdurend een samenspel van gas geven en afremmen, waardoor de hypothalamus de hormoonafgifte van de hypofyse mee kan regelen. Bij groeihormoon is dat mooi zichtbaar: GHRH stimuleert de afgifte van groeihormoon, terwijl somatostatine deze afgifte remt.

We zouden het daarom zo kunnen voorstellen: De hypothalamus is de dirigent die waarneemt en de opdrachten geeft, terwijl de hypofyse het centrale schakelstation is dat veel van deze opdrachten hormonaal vertaalt en doorgeeft aan het lichaam.

Twee verschillende delen van de hypofyse

De hypofyse bestaat uit twee duidelijk verschillende delen: de adenohypofyse, of voorkwab, en de neurohypofyse, of achterkwab.

De adenohypofyse produceert verschillende hormonen die belangrijke processen in het lichaam aansturen. Zo produceert zij FSH en LH, die betrokken zijn bij voortplanting en seksuele ontwikkeling; TSH, dat de schildklier stimuleert; ACTH, dat de bijnierschors stimuleert; en prolactine, dat onder andere de melkproductie van de borstklieren stimuleert.

Maar bij acromegalie is vooral één ander hormoon van belang: het groeihormoon, ook wel GH (growth hormone), STH of somatotroop hormoon genoemd.

De neurohypofyse werkt anders. Zij produceert haar belangrijkste hormonen niet zelf. Oxytocine en ADH (vasopressine) worden namelijk in de hypothalamus gemaakt, via zenuwuitlopers naar de neurohypofyse vervoerd en daar opgeslagen en aan het bloed afgegeven.

In de Germaanse Geneeskunde wordt de adenohypofyse beschouwd als weefsel van endodermale oorsprong en aangestuurd door de hersenstam. De neurohypofyse wordt tot het ectoderm gerekend. Bij de Germaanse geneeskunde is er geen duidelijk omschreven biologisch conflict aan de neurohypofyse gekoppeld. Daarom laat ik haar voor het verdere verhaal over acromegalie buiten beschouwing.

Van hypothalamus naar groeihormoon

De hypothalamus stuurt de afgifte van groeihormoon in de adenohypofyse aan. Hiervoor gebruikt hij onder andere GHRH (Growth Hormone-Releasing Hormone). Dit is niet het groeihormoon zelf, maar een hormoon dat de adenohypofyse stimuleert om groeihormoon af te geven. Het groeihormoon zelf wordt afgekort als GH (Growth Hormone) en wordt ook STH (somatotroop hormoon of somatotropine) genoemd. Somatostatine doet precies het tegenovergestelde: het remt de afgifte van groeihormoon. We krijgen dus een prachtig samenspel: Hypothalamus → adenohypofyse → groeihormoon → groei en stofwisseling in het lichaam.

Het verwarrende is dat GH en STH twee verschillende namen/afkortingen zijn voor exact hetzelfde hormoon. GH = Growth Hormone → Engelse benaming voor groeihormoon. STH = Somatotroop hormoon / somatotropine → andere benaming voor datzelfde groeihormoon. GHRH = Growth Hormone-Releasing Hormone → een ander hormoon, geproduceerd door de hypothalamus. Het stimuleert de adenohypofyse om GH/STH af te geven.

Groeihormoon werkt daarbij rechtstreeks op verschillende weefsels, maar stimuleert ook onder andere de lever tot de productie van IGF-1, een belangrijke groeifactor waardoor veel van de groeibevorderende effecten van groeihormoon tot stand komen.

Hypothalamus → GHRH (stimuleert) → adenohypofyse → GH/STH (groeihormoon) → groei-effecten. En aan de andere kant: Hypothalamus → somatostatine (remt) → adenohypofyse → minder GH

En precies hier ligt de brug naar acromegalie.

Bij acromegalie is er gedurende langere tijd sprake van een overmatige productie van groeihormoon door de adenohypofyse. Wanneer dit gebeurt nadat de groeischijven van de botten gesloten zijn, kan het lichaam niet meer gewoon in de lengte doorgroeien. In plaats daarvan zien we geleidelijk een vergroting en verdikking van bepaalde lichaamsdelen, waaronder handen, voeten, kaak en andere delen van het gezicht.

Daarmee komen we bij de vraag die voor dit artikel centraal staat: waarom ontstaat er in de adenohypofyse een situatie waarbij zoveel groeihormoon wordt geproduceerd, en hoe kunnen we dit vanuit de biologische conflictgedachte proberen te begrijpen?

Hersenniveau

In de hersenstam heeft de adenohypofyse twee controlecentra die ordelijk zijn gepositioneerd in de ringvorm van de hersenrelais die de organen van het spijsverteringskanaal aansturen. De rechterhelft van de adenohypofyse wordt aangestuurd vanuit de rechterkant van de hersenstam; de linkerhelft wordt aangestuurd vanuit de linker helft van de hersenstam. Er is geen kruislings verband tussen de hersenen en het orgaan.

De mond en keelholte, traanklieren, buizen van Eustachius, schildklier, bijschildklieren, hypofyse (adenohypofyse), pijnappelklier en plexus choroïdea delen hetzelfde hersenrelais.

Het biologisch conflict STH producerende weefsels

Nu we weten dat GH en STH twee benamingen zijn voor hetzelfde groeihormoon, kunnen we een stap verder gaan en kijken naar het biologisch conflict. Het biologische conflict dat verband houdt met de STH (Somatotropine Hormoon) producerende cellen van de adenohypofyse is een brokconflict. Maar hier krijgt dat brokconflict een heel bijzondere betekenis: het gevoel te klein te zijn om de brok te kunnen bemachtigen of kwijt te raken.

De rechterhelft van de adenohypofyse: de ingaande brok

Het biologische conflict wordt omschreven als “niet in staat zijn een gewenste brok te pakken te krijgen omdat ik te klein ben.”

Die “brok” hoeven we natuurlijk niet letterlijk als voedsel te begrijpen. Bij de mens kan dit symbolisch worden beleefd als iets wat iemand heel graag wil verkrijgen, bereiken of bemachtigen, maar waarvoor hij zich te klein, te zwak of niet groot genoeg voelt.

Denk bijvoorbeeld aan een jong kind dat voortdurend moet concurreren met een ouder of groter kind. Ook in sport kan dit zichtbaar worden: een klein kind dat tussen veel grotere kinderen voetbalt en ervaart dat het letterlijk niet groot of sterk genoeg is om de bal te bemachtigen.

De linkerhelft van de adenohypofyse: de uitgaande brok

Het biologisch conflict wordt omschreven als “niet in staat zijn een brok kwijt te raken omdat ik te klein ben.” Evolutionair wordt daarbij verwezen naar de oorspronkelijke fecesbrok: iets wat het organisme moet kunnen uitscheiden of verwijderen.

Bij de mens kan dit opnieuw overdrachtelijk worden beleefd. Een voorbeeld binnen deze interpretatie is een kind of adolescent dat plotseling de rol van een ouder moet overnemen. De taak, verantwoordelijkheid of situatie is als het ware te groot voor het kind: “ik ben hier nog te klein voor.”

Het centrale thema: “ik ben te klein”

Daarmee komen beide zijden uiteindelijk samen in één centraal thema: zich te klein voelen.

Dat hoeft niet noodzakelijk over de werkelijke lichaamslengte te gaan. Een kind kan zich klein voelen omdat het daadwerkelijk kleiner is dan anderen, maar ook omdat het voortdurend wordt gekleineerd. Opmerkingen van een ouder, leraar of coach als “dat kun jij toch niet”, “daar ben jij nog te klein voor” of voortdurend vergeleken worden met iemand die groter, sterker of beter is, kunnen door een kind heel intens worden beleefd.

Ook een volwassene kan een situatie ervaren vanuit: “ik ben te klein om dit aan te kunnen.”
“Dit is te groot voor mij.” “Ik kan niet op tegen die ander.” “Ik ben niet groot genoeg om te krijgen wat ik nodig heb.”

En juist die gedachte wordt interessant wanneer we terugdenken aan de functie van deze cellen. Want wat produceren ze? Groeihormoon.

Vanuit de biologische logica die de GNM hieraan geeft, ontstaat dan een bijzondere samenhang tussen conflict en functie: wanneer het organisme ervaart “ik ben te klein”, zou een versterking van de groeifunctie biologisch gezien in het teken staan van groter worden om de brok uiteindelijk wél te kunnen bemachtigen of elimineren. En daarmee komen we steeds dichter bij het verschijnsel acromegalie.

De conflictactieve fase

Tijdens de conflictactieve fase ontstaat vermeerdering van de STH-producerende cellen van de adenohypofyse. De mate van weefselvermeerdering wordt daarbij gekoppeld aan de intensiteit en duur van het conflict.

De biologische zin die hieraan wordt gegeven, wordt begrijpelijk wanneer we terugkeren naar het oorspronkelijke conflict: “ik ben te klein om de brok te kunnen bemachtigen.”
of “ik ben te klein om de brok te kunnen elimineren.”

Door de vermeerdering van de STH-producerende cellen kan er meer groeihormoon (GH/STH) worden geproduceerd. Binnen deze biologische interpretatie zou het organisme daarmee proberen een oplossing te creëren voor precies datgene wat als probleem wordt ervaren: te klein zijn. Meer groeihormoon betekent immers een versterkte groeiprikkel, zodat het individu beter in staat is om de brok te grijpen (rechter helft) of de brok te elimineren (linker helft).

Wanneer de conflictactiviteit langdurig aanhoudt, ontstaat een compacte weefselmassa met een verhoogde secretoire activiteit. Binnen de reguliere geneeskunde wordt een dergelijke goedaardige tumor van de adenohypofyse een hypofyseadenoom genoemd. Wanneer de tumor groeihormoon produceert, spreken we specifieker over een GH-producerend hypofyseadenoom.

Gigantisme of acromegalie?

Bij kinderen en adolescenten, bij wie de groeischijven van de lange beenderen nog niet gesloten zijn, kan een overmaat aan groeihormoon leiden tot een uitzonderlijke lengtegroei. Dit noemen we gigantisme.

Bij volwassenen zijn de groeischijven gesloten. De lange beenderen kunnen daardoor niet meer op dezelfde manier in de lengte doorgroeien. Een langdurige overproductie van groeihormoon veroorzaakt dan andere groeiveranderingen.

Handen en voeten kunnen groter worden, de onderkaak en wenkbrauwbogen kunnen prominenter worden en ook neus, lippen en andere zachte weefsels kunnen geleidelijk verdikken en vergroten. Dit noemen we acromegalie.

De naam vertelt eigenlijk al wat we zien: akron verwijst naar de uiteinden of extremiteiten en megas naar groot. Letterlijk kunnen we acromegalie dus begrijpen als “grote uiteinden”.

Binnen de GNM wordt bij betrokkenheid van de linkerhelft van de adenohypofyse bovendien een vergroting van de lippen gekoppeld aan het thema van de uitgaande brok. De gedachte daarachter is dat een grotere opening het biologisch gemakkelijker zou maken om de brok naar buiten te werken.

Maurice Tillet: een opvallend voorbeeld

Een bekend historisch voorbeeld van iemand met acromegalie is Maurice Tillet (1903–1954), een in Rusland geboren Frans professioneel worstelaar die later bekend werd onder de bijnaam The French Angel.

Op foto’s uit zijn jeugd had Maurice nog een veel minder opvallend uiterlijk. In zijn jonge volwassenheid ontwikkelde hij acromegalie, waarna vooral zijn hoofd, handen en gelaatstrekken sterk veranderden.

Zijn levensverhaal laat heel duidelijk zien wat langdurige blootstelling aan een overmaat aan groeihormoon lichamelijk kan betekenen. Vanuit onze biologische benadering wordt vervolgens een andere vraag interessant: wat gebeurde er in het leven van Maurice Tillet vóórdat deze veranderingen begonnen? Was er een periode waarin hij zich letterlijk of figuurlijk “te klein” voelde tegenover een situatie, een ander mens of een uitdaging die voor hem te groot leek? Vermoedelijk had hij innerlijk het gevoel van te klein zijn tegenover zijn uitdagers waardoor hij door acromegalie een professionele worstelaar is geworden.

De helingsfase

Tijdens de helingsfase verwijderen schimmels of mycobacteriën zoals TBC-bacteriën de cellen die niet langer nodig zijn. Het genezingsproces gaat gepaard met nachtelijk zweten.

Een bijzondere bloedvoorziening

De hypofyse neemt anatomisch een bijzondere positie in. Om hormonale signalen snel tussen hypothalamus, hypofyse en bloedbaan te kunnen uitwisselen, beschikt dit gebied over een zeer rijke en gespecialiseerde bloedvoorziening. Delen van dit hypothalamus-hypofysesysteem behoren bovendien tot gebieden waar de klassieke bloed-hersenbarrière anders georganiseerd is dan in het grootste deel van de hersenen.

Binnen het GNM-model wordt deze bijzondere toegankelijkheid van de bloedbaan in verband gebracht met de mogelijkheid dat mycobacteriën tijdens de helingsfase bij het afbraakproces betrokken kunnen zijn. We zien binnen diezelfde GNM-interpretatie een vergelijkbare gedachte terug bij onder andere de pijnappelklier en de plexus choroïdeus.

Wanneer de heling telkens opnieuw wordt onderbroken

Interessant wordt het wanneer het oorspronkelijke conflict niet definitief wordt opgelost, maar telkens opnieuw wordt geactiveerd, dikwijls als gevolg van een traumahologram, dan spreken we van een hangende heling: het organisme wisselt voortdurend tussen conflictactiviteit en herstel.

Er gaat steeds meer klierweefsel van de adenohypofyse verloren, wat leidt tot een afname of een volledige stopzetting van de productie van het STH-somatotropinehormoon. Een tekort aan groeihormoon tijdens de kinderjaren kan de normale lengtegroei sterk vertragen. Regulier spreken we dan van groeihormoondeficiëntie, waarbij een kind zonder behandeling een duidelijk kleinere volwassen lichaamslengte kan bereiken.

Tijdens langdurige conflictactiviteit staat een verhoogde productie van groeihormoon centraal en kan bij een kind overmatige groei ontstaan. Indien het genezingsproces voortdurend onderbroken wordt, resulteert dit in dwergroei.

Het biologisch conflict prolactine-producerende weefsels

Het biologische conflict dat verband houdt met de prolactine-producerende cellen van de adenohypofyse is een voedingsconflict. Centraal staat daarbij het gevoel: “Ik kan mijn kind of mijn gezin niet voeden.”

Dat hoeft bij de mens niet uitsluitend over letterlijk voedsel te gaan. Het kan ook betrekking hebben op het gevoel niet voldoende voor het gezin te kunnen zorgen of het niet te kunnen onderhouden. Denk bijvoorbeeld aan iemand die zijn werk verliest en plotseling in financiële moeilijkheden terechtkomt. Ook een zelfstandige of alleenstaande ouder kan onder grote financiële druk het gevoel krijgen: “hoe moet ik mijn kinderen nog onderhouden?” “Ik kan mijn gezin niet meer geven wat het nodig heeft.”

Hier zien we een relatie tot een Neszorgconfict met betrekking tot de melk producerende klieren in de borst. Prolactine stimuleert immers de melkproductie van de borstklieren en staat fysiologisch dus rechtstreeks in verband met het kunnen voeden van het kind. Het conflict kan invloed hebben op een van beide helften van de klieren.

De conflictactieve fase

Tijdens de conflictactieve fase vermeerderen de prolactine-producerende cellen van de adenohypofyse zich. De mate van weefselvermeerdering is evenredig aan de intensiteit en duur van het voedingsconflict. Het biologische doel van de extra cellen is om de uitscheiding van prolactine te verhogen om beter in staat te zijn om het kind of het gezin te voeden.

Omdat prolactine de melkproductie stimuleert, zou het organisme daarmee biologisch proberen een antwoord te geven op het ervaren probleem: “Ik kan mijn kind of mijn gezin niet voldoende voeden.” Het organisme versterkt als het ware juist die functie die op dat moment als noodzakelijk wordt ervaren: het kunnen voeden.

Wanneer de conflictactiviteit langdurig blijft bestaan, vormt de voortdurende weefselvermeerdering een compacte, hormoonproducerende tumor ontstaan. Binnen de reguliere geneeskunde wordt een secretoire prolactine-producerend adenoom van de hypofyse een prolactinoom genoemd. Een verhoogde hoeveelheid prolactine in het bloed wordt hyperprolactinemie genoemd.

Wanneer een vrouw op dat moment borstvoeding geeft, kan een verhoogde prolactineproductie de melkproductie verder stimuleren. Maar ook wanneer een vrouw geen borstvoeding geeft, kan een sterke verhoging van prolactine ervoor zorgen dat er melk of een melkachtige vloeistof uit de borst komt. Dit verschijnsel noemen we galactorroe.

Galactorroe kan ook bij mannen voorkomen. Ook het mannelijke borstweefsel kan onder invloed van verhoogde prolactinespiegels melkachtige afscheiding produceren. Het is dus belangrijk om onderscheid te maken tussen de verschillende begrippen:

Prolactinoom = een secretoire prolactine-producerend hypofyseadenoom.
Hyperprolactinemie = een verhoogde hoeveelheid prolactine in het bloed.
Galactorroe = melkproductie of melkachtige afscheiding buiten de normale borstvoedingssituatie.

Helingsfase

Tijdens de helingsfase de prolactine-producerende cellen die niet langer nodig zijn weer afgebouwd. Bij een verlengde helingsfase gaat steeds meer klierweefsel verloren als gevolg van het continue celverwijderingsproces. Bij vrouwen die borstvoeding geven veroorzaakt dit een verminderde of volledige stop van de melkproductie. Als dit tijdens de zwangerschap gebeurt heeft een vrouw na de geboorte van haar kind weinig of geen moedermelk

Een interessante observatie uit de dierenwereld

Bij veel zoogdieren zien we na de geboorte een bijzonder natuurlijk gedrag: het moederdier eet de placenta en andere nageboortematerialen op. Dit wordt placentofagie genoemd.

Er is wetenschappelijk onderzoek gedaan naar de mogelijke biologische betekenis hiervan. Daarbij zijn onder andere verbanden onderzocht met moederlijk gedrag en pijnregulatie rond de geboorte. De bewering dat het eten van de placenta de melkproductie aantoonbaar en significant verhoogt, kunnen we op basis van de beschikbare onderzoeksgegevens echter niet met zekerheid bevestigen. Daarom moeten we voorzichtig zijn om placentofagie rechtstreeks aan een verbeterde lactatie te koppelen.

Daarnaast kan de vraag worden gesteld of een afzonderlijk biologisch conflict rond de placenta of zwangerschap invloed zou kunnen hebben op het verloop rond geboorte en borstvoeding. Bijvoorbeeld wanneer een zwangere vrouw onverwacht te horen krijgt dat er iets niet goed zou zijn met haar placenta en zij daarvan schrikt.

Een rechtstreeks verband tussen zo’n placenta-gerelateerd conflict en een verminderde melkproductie is echter niet bevestigd binnen het oorspronkelijke onderzoek van Dr. Hamer. Het blijft daarom een mogelijke hypothese en niet iets wat we als vaststaand onderdeel van het GNM-model kunnen presenteren.

Het biologisch conflict LH- en FSH producerende weefsels

Een derde biologisch conflictthema binnen de adenohypofyse gaat over het hormoonweefsel die LH en FSH produceren. Laten we eerst opnieuw kijken naar de betekenis van deze hormonen.

LH staat voor luteïniserend hormoon en FSH voor follikelstimulerend hormoon. Beide worden geproduceerd door de adenohypofyse en spelen een belangrijke rol bij de seksuele ontwikkeling en voortplanting.

Bij meisjes stimuleert FSH onder andere de ontwikkeling van de follikels in de eierstokken en speelt LH later een belangrijke rol bij de eisprong. Bij jongens zijn beide hormonen betrokken bij de ontwikkeling en werking van de testis en bij de aansturing van de productie van geslachtshormonen en zaadcellen. Ze maken dus deel uit van het hormonale systeem dat het lichaam helpt seksueel volwassen te worden.

Het biologisch conflict gaat over “ik ben nog te onvolwassen voor wat er van mij wordt gevraagd.” Dat kan letterlijk worden ervaren, maar ook figuurlijk: een kind kan zich geconfronteerd zien met een situatie waarvoor het zich nog niet oud, groot of volwassen genoeg voelt. Het conflict vindt vóór de puberteit plaats.

Bij kinderen leidt de voortdurende conflictactiviteit tot een vervroegde ontwikkeling (vroegtijdige puberteit). De biologische gedachte daarachter wordt opnieuw begrijpelijk wanneer we naar de normale functie van deze hormonen kijken.

Een langdurige helingsfase veroorzaakt een afname van de productie van LH en FSH resulterend en een vertraagde puberteit (geen ontwikkeling van borsten en eierstokken bij meisjes op de leeftijd van 13 jaar of groei van de testes bij jongens op 14-jarige leeftijd).

Zo zien we binnen het GNM-model bij de adenohypofyse telkens dezelfde rode draad terug:

STH/GH → groeien → “ik ben te klein.”
Prolactine → voeden → “ik kan mijn kind/gezin niet voeden.”
LH en FSH → rijping en voortplanting → “ik ben te onvolwassen.”

Met dank aan: Caroline Markolin, PH.D. https: //LearningGNM.com

Arjen Lievers https://www.germaansegeneeskunde.nl/index_ziekten_gnm/

Dr. Geerd Ryke Hamer

Gepubliceerd op 27/08/2026

Daniël Derweduwen

Delen:

 

Gerelateerde Publicaties

 

  • Cellulitis en celluliteCelluliteHet zijn wee verschillende aandoeningen en twee verschillende biologische processen. Wie de woorden cellulite en cellulitis naast elkaar ziet staan, zou gemakkelijk kunnen denken dat het om twee benamingen voor hetzelfde verschijnsel gaat. Toch verwijzen ze naar twee heel verschillende processen.Cellulite kennen we vooral als de zogenaamde sinaasappelhuid: de huid krijgt een bobbelige structuur met kleine putjes en verhevenheden, meestal ter hoogte van de dijen, billen en heupen. Cellulite is op zichzelf geen ontsteking en ook geen ziekte. Het verschijnsel ontstaat door de manier waarop huid, onderhuids vetweefsel en bindweefsel ten opzichte van elkaar georganiseerd zijn.Cellulitis daarentegen is [...]

    By Published On: 27/08/2026
  • De megalomane constellatieWat is megalomanie?Megalomanie, ook wel grootheidsdenken of grootheidswaan genoemd, verwijst naar een sterk overdreven gevoel van eigenwaarde en belangrijkheid. Iemand ervaart zichzelf als uitzonderlijk, superieur of bijzonder machtig en kan een onrealistisch geloof ontwikkelen in zijn eigen talenten, kennis, invloed, status of vermogens.Kenmerkend is dat het beeld dat iemand van zichzelf heeft niet meer in verhouding staat tot de werkelijkheid. De persoon kan ervan overtuigd zijn méér te weten, méér te kunnen of belangrijker te zijn dan anderen. In uitgesproken vormen kan dit uitgroeien tot het gevoel voorbestemd te zijn voor een uitzonderlijke taak, over bijzondere gaven te [...]

    By Published On: 24/08/2026
  • Urine-incontinentie, urineverlies en endodermale blaaskanker Functie van de blaas De urineblaas is een hol, gespierd orgaan dat dient als tijdelijk reservoir voor de urine die voortdurend door de nieren wordt geproduceerd. De urine bereikt de blaas via de urineleiders en wordt daar opgeslagen totdat het moment van urineren aanbreekt. De wand van de blaas bevat een krachtige spierlaag, de blaasspier (m. detrusor vesicae). Wanneer de blaas zich vult, kan deze spierwand zich ontspannen en uitrekken, waardoor het volume van de blaas toeneemt. Tijdens het plassen gebeurt het tegenovergestelde: de blaasspier trekt samen en verhoogt zo de druk in de blaas, [...]

    By Published On: 17/08/2026