Even in het kort iets over mezelf.
Ik heb genen in mijn DNA die kunnen worden geactiveerd om aandoeningen zoals diabetes, hart- en vaatziekten, zenuwaandoeningen en kanker te veroorzaken. Dat betekent echter niet dat deze ziekten zich bij mij zullen manifesteren, zoals ik wel zie gebeuren bij veel van mijn familieleden.
Mijn moeder, een vluchteling, stierf op 49-jarige leeftijd aan kanker. Mijn vader overleed aan diabetes, overgewicht, nierfalen, psoriasis, na drie bypassoperaties en andere complicaties. De rest van mijn familie, inclusief grootouders, ooms en tantes, leed aan diverse aandoeningen en ernstige ziekten.
Ik ben het buitenbeentje van de familie, maar ik ben gezond en mankeer niets. Waarom ben ik een buitenbeentje? Omdat ik de moed heb gehad om familiepatronen te doorbreken, mijn blinde vlekken onder ogen te zien en een totaal andere levensstijl te kiezen, inclusief ander voedsel. Ik heb volledig afstand genomen van familiezaken en gewoonten.
Ik voel me belangrijker en kies ervoor te leven zoals ík dat wil, niet zoals de familie dat wil. Ik hou 100% van mezelf en kom altijd eerst voor mezelf op, daarna pas voor anderen. Door eerst voor mezelf te zorgen, krijg ik de innerlijke kracht om anderen effectief te helpen. Het kan me niets schelen wat anderen van me denken of zeggen.

Ik volg precies het tegenovergestelde van wat de media en reguliere geneeskunde adviseren. Al 20 jaar werk ik aan het cultiveren van mijn eigenwaarde, zelfliefde en zelfrespect. Ik houd mijn innerlijke dialoog positief, leef een gezonde levensstijl, ontgift mijn lichaam en kies bewust voor gezonde voeding. Waarom zou ik producten uit de supermarkt moeten eten? En waarom zou ik klant moeten zijn bij een apotheek?
Ik beoefen yoga om mijn lymfestelsel, zenuwstelsel en bloedcirculatie te verbeteren. Mijn spieren stretch ik dagelijks op een zachte manier. Om die reden ben ik ook vegetariër geworden. Ik geloof dat ik anderen pas kan helpen als ik eerst goed voor mezelf zorg en voor mezelf opkom – dat is een natuurwet!
Ooit leefde ik op dezelfde manier als mijn familie en was ik op weg om chronische ziekten te ontwikkelen, maar dat is nu verleden tijd. Ik heb mijn levensstijl volledig omgekeerd om voortdurende gezondheid en verjonging te creëren, en dat werkt. Trauma’s, comfortzones en biologische conflicten heb ik opgelost, waardoor er geen negatieve effecten meer zijn op mijn lichaam en geest.
Mijn lichaam hoeft geen genen te activeren om overlevingssymptomen te creëren, want er is nu evenwicht en balans. Op weefselniveau voelt mijn lichaam zich geweldig: er is een perfecte balans tussen antioxidanten en vrije radicalen, alle membranen zijn schoon, en de doorstroming van lichaamssappen is optimaal.
Mijn microbioom is in balans, wat gunstig is voor alle partijen. Er is een duidelijk contrast tussen mij en mijn familie, en dat wilde ik toch even delen. Door anders te leven, gezond te blijven en emotionele kwesties op te lossen, kun je de zogenaamde erfelijke aandoeningen vermijden.
Erfelijke aandoeningen ontstaan volgens mij niet door geërfde genen, maar door overgenomen familiepatronen en emotionele onbalans. Daardoor creëert het lichaam dezelfde aandoening die je ook bij familieleden ziet. In die zin bestaat er wel een emotionele ‘infectie’. Dit is een belangrijke nuance om te begrijpen en helpt je om het hokjesdenken van de medische wetenschap los te laten.
Genen zijn geen garantie voor het ontwikkelen van aandoeningen. De omgeving waarin genen tot expressie komen en levensstijlkeuzes spelen een grote rol bij het al dan niet manifesteren van genetische aanleg. Het is de omgeving die genen activeert; genen zelf veroorzaken geen ziekte.
Mijn verhaal illustreert dit duidelijk. Ondanks een familiegeschiedenis vol ernstige ziekten heb ik ervoor gekozen om anders te leven. Door bewuste keuzes te maken in voeding en levensstijl heb ik voorkomen dat mijn genetische aanleg zich uit in ziektes.
Ik heb ook de moed gehad om familiepatronen te doorbreken en mijn eigen weg te volgen. Dit heeft mijn gezondheid en welzijn versterkt. Dat ik gezond ben, laat zien hoe belangrijk persoonlijke keuzes en levensstijl zijn voor het behouden van gezondheid en het voorkomen van ziekte.
Medisch systeemongelovige, Daniël The healthman
Bruce Lipton, een celbioloog en auteur van “De Biologie van de Overtuiging,” is bekend om zijn werk op het gebied van epigenetica, dat onderzoekt hoe omgevingsfactoren en gedachten invloed hebben op de expressie van genen. Volgens Lipton zijn genen geen vaste “blauwdrukken” die automatisch ziekten veroorzaken. In plaats daarvan gelooft hij dat de geest – via overtuigingen en emoties – een belangrijke rol speelt in het activeren of onderdrukken van genen. Hij stelt dat stress, negatieve gedachten en ongezonde overtuigingen genetische processen kunnen beïnvloeden en bijdragen aan de ontwikkeling van ziekte. Positieve gedachten en een gezonde mindset kunnen daarentegen genezing bevorderen en de gezondheid ondersteunen.
Een mooi voorbeeld van epigenetica dat aansluit bij mijn ervaring is hoe levensstijlkeuzes de expressie van genen kunnen beïnvloeden, zoals blijkt uit studies naar voeding en stress. Stel je voor dat je een genetische aanleg hebt voor een aandoening zoals diabetes, die in je familie veel voorkomt. In een traditioneel medisch model zou men kunnen aannemen dat je onvermijdelijk diabetes ontwikkelt door je genetische erfgoed. Maar epigenetica leert ons dat het niet zo eenvoudig ligt.
Als je, zoals ik hebt gedaan, bewust kiest voor een gezonde levensstijl – zoals het eten van voedzame, plantaardige voeding, regelmatig bewegen, en het beheren van stress door bijvoorbeeld yoga en meditatie – beïnvloed ik de omgeving waarin mijn genen actief zijn. Deze positieve veranderingen kunnen “epigenetische schakelaars” in mijn cellen aan- of uitzetten. In het geval van diabetes kan dit betekenen dat de genen die bijdragen aan de ontwikkeling van de ziekte niet geactiveerd worden.
Mijn verhaal toont dat, hoewel ik de genetische aanleg hebt, mijn keuzes – anders eten, emoties verwerken en gezonder leven – ervoor zorgen dat die genen inactief blijven. Dit is precies wat epigenetica bevestigt: de omgeving en levensstijl beïnvloeden welke genen tot expressie komen, en het brein speelt een cruciale rol in dit proces. Door bewust te kiezen voor gezondheid heb ik in feite de genetische aanleg “overschreven,” waardoor ik de ziekten hebt vermeden die wel in mijn familie voorkomen. Dit illustreert hoe krachtig epigenetica kan zijn in het behouden van gezondheid.
Een ander mooi voorbeeld van epigenetica is hoe stress en voeding samen de expressie van genen kunnen veranderen, wat je in de praktijk ziet bij tweelingen. Hoewel eeneiige tweelingen identieke genetische codes hebben, kan hun gezondheid sterk verschillen afhankelijk van hun levensstijl en omgeving.
Stel je voor dat de ene tweeling in een stressvolle omgeving opgroeit, met slechte voeding en weinig beweging, terwijl de andere een gezond dieet volgt, voldoende rust neemt, en regelmatig beweegt. Ondanks dezelfde genetische blauwdruk, kan de tweeling in de ongezonde omgeving vatbaarder zijn voor ziektes zoals obesitas, hartproblemen of zelfs depressie. Dit komt doordat de omgevingsfactoren zoals stress en ongezonde voeding de genen activeren die deze ziekten in gang zetten, terwijl de andere tweeling, door positieve levenskeuzes, deze genen juist “uitzet.”
Epigenetische veranderingen, zoals de chemische aanpassing van DNA zonder de genen zelf te veranderen, kunnen deze verschillen veroorzaken. Dit voorbeeld laat duidelijk zien dat het niet alleen de genen zijn die bepalen of iemand een ziekte ontwikkelt, maar ook hoe we met onze omgeving en levensstijl omgaan – en dit is precies wat epigenetica zo krachtig maakt.
Een ander fascinerend voorbeeld van epigenetica is hoe moederlijke zorg tijdens de vroege kindertijd de genexpressie kan beïnvloeden, met name bij stressreacties.
Onderzoek met ratten heeft aangetoond dat jongen die veel zorg en aandacht kregen van hun moeder (zoals likken en verzorgen) minder stressgevoelig waren in hun latere leven. Dit kwam doordat de moederlijke zorg de epigenetische “markeringen” op de genen beïnvloedde die verantwoordelijk zijn voor de stressrespons. De jongen van zorgzame moeders hadden genen die beter in staat waren om stresshormonen te reguleren, wat hen weerbaarder maakte tegen stressvolle situaties.
Aan de andere kant, jongen die minder zorg en aandacht kregen, hadden genen die gevoeliger waren voor stress. Deze genen bleven “aangezet,” waardoor de ratten later in hun leven sneller gestrest raakten. Dit gebeurde zonder dat hun DNA zelf veranderde; het was de moederlijke zorg die de genexpressie veranderde door epigenetische mechanismen.
Dit voorbeeld laat zien hoe belangrijk de vroege omgeving is voor onze gezondheid en hoe epigenetische aanpassingen kunnen worden doorgegeven zonder dat het genetische materiaal zelf verandert. Het is een krachtige illustratie van hoe onze ervaringen en de zorg die we ontvangen, letterlijk invloed kunnen hebben op de werking van onze genen.
Hier is nog een boeiend voorbeeld van epigenetica, dit keer met betrekking tot de invloed van voeding op genexpressie, specifiek bij bijen.
In een bijenkolonie zijn alle bijen genetisch identiek als ze geboren worden, maar toch ontwikkelen sommige zich tot werkbijen en anderen tot koninginnen. Wat bepaalt dit verschil? Het voedsel dat ze krijgen, speelt hier de sleutelrol. Koninginnen worden namelijk gevoed met een speciale substantie genaamd koninginnengelei (royal jelly), terwijl werkbijen gewone nectar en stuifmeel krijgen.
Deze verschillende voedingsregimes activeren of deactiveren bepaalde genen door middel van epigenetische mechanismen. De koninginnengelei schakelt specifieke genen in die de ontwikkeling van de voortplantingsorganen stimuleren en de levensduur van de bij drastisch verlengen. De bijen die deze gelei niet krijgen, ontwikkelen zich tot onvruchtbare werkbijen met een veel kortere levensduur.
Dit voorbeeld laat zien hoe iets eenvoudigs als voeding, via epigenetische veranderingen, een enorme invloed kan hebben op hoe een organisme zich ontwikkelt, zonder dat er sprake is van genetische verschillen. Het toont aan dat omgevingsfactoren, zoals voeding, letterlijk kunnen bepalen welke genen worden geactiveerd en hoe een organisme zijn levenspad volgt.
Dit soort epigenetische principes zijn bij mensen ook van toepassing. Wat we eten kan invloed hebben op de expressie van genen die bijvoorbeeld betrokken zijn bij ontstekingen, metabolisme, en zelfs het risico op ziekten zoals kanker en hart- en vaatziekten.
Hier is nog een fascinerend voorbeeld van epigenetica, dit keer met betrekking tot trauma’s en hoe ze generaties kunnen beïnvloeden, wat bekend staat als transgenerationele epigenetica.
Onderzoek bij muizen heeft aangetoond dat trauma of stressvolle gebeurtenissen invloed kunnen hebben op de epigenetische markeringen van genen, en deze veranderingen kunnen zelfs doorgegeven worden aan toekomstige generaties. Een bekend experiment toonde aan dat muizen die werden blootgesteld aan een bepaalde geur in combinatie met een lichte elektrische schok, een angstreactie ontwikkelden op die geur. Wat verrassend was, is dat hun nakomelingen, die nooit de schokken hadden meegemaakt, ook een angstreactie vertoonden wanneer ze aan dezelfde geur werden blootgesteld.
Dit gebeurde doordat het trauma van de ouder de genexpressie in hun voortplantingscellen veranderde, zonder dat de genetische code zelf werd gewijzigd. De angstreactie werd dus via epigenetische mechanismen doorgegeven aan de volgende generatie.
Dit fenomeen is ook onderzocht bij mensen, vooral bij de kinderen en kleinkinderen van mensen die traumatische gebeurtenissen hebben meegemaakt, zoals oorlog, honger of natuurrampen. Studies hebben aangetoond dat nakomelingen van overlevenden van de Holocaust bijvoorbeeld verhoogde niveaus van stresshormonen hebben, zelfs als ze zelf geen extreme stress hebben ervaren. Dit suggereert dat de epigenetische veranderingen die veroorzaakt werden door de traumatische ervaringen van de ouders, werden doorgegeven aan de kinderen.
Dit voorbeeld laat zien hoe ervaringen niet alleen ons eigen lichaam beïnvloeden, maar ook het potentieel hebben om epigenetische sporen achter te laten die door toekomstige generaties kunnen worden geërfd. Het benadrukt hoe krachtig epigenetica is in het verklaren van het samenspel tussen erfelijkheid en omgevingsinvloeden, en hoe ons leven letterlijk kan worden beïnvloed door de ervaringen van onze voorouders.
Het emotionele aspect van voorouderlijke ervaringen in relatie tot epigenetica is inderdaad fascinerend. Een typisch voorbeeld van een familiepatroon dat samenhangt met epigenetica is de overdracht van angst of stress door generaties heen, vaak als gevolg van traumatische ervaringen die invloed hebben op de gezondheid en het gedrag van nakomelingen.
Een duidelijk voorbeeld hiervan is te vinden bij families die langdurig te maken hebben gehad met armoede, oorlog of onderdrukking. Stel dat een grootouder tijdens een oorlog extreem trauma ervaart, zoals honger, verlies van dierbaren of constante angst voor geweld. Deze extreme stress kan bepaalde epigenetische markeringen in het DNA van deze persoon achterlaten. Deze markeringen beïnvloeden de expressie van genen die te maken hebben met de stressrespons, zoals die van cortisolregulatie (het stresshormoon). Deze veranderingen kunnen vervolgens worden doorgegeven aan de kinderen en kleinkinderen.
De nakomelingen, hoewel ze het originele trauma niet zelf hebben meegemaakt, kunnen toch een verhoogde gevoeligheid voor stress of angst ontwikkelen, wat zich kan uiten in gedragsproblemen, depressie, of zelfs fysieke aandoeningen zoals een verhoogd risico op hart- en vaatziekten. Dit komt doordat de epigenetische veranderingen door het trauma de genen beïnvloeden die verantwoordelijk zijn voor de regulatie van emoties en stress. Het familiepatroon kan zich dan generaties lang voortzetten, waarbij elke volgende generatie een verhoogde gevoeligheid voor stress of bepaalde gezondheidsproblemen ervaart, zonder dat ze dezelfde extreme omstandigheden hebben meegemaakt.
Een klassiek voorbeeld hiervan komt uit onderzoek naar nakomelingen van overlevenden van de Tweede Wereldoorlog of de Holocaust. Deze families vertoonden soms duidelijke patronen van angst, depressie en zelfs lichamelijke gezondheidsproblemen, ondanks het feit dat latere generaties in relatief veilige en gezonde omstandigheden opgroeiden. De epigenetische veranderingen die door het trauma van hun voorouders werden veroorzaakt, beïnvloedden nog steeds de manier waarop hun lichaam en geest reageerden op stressvolle situaties.
Dit soort familiepatronen illustreert hoe emotionele en fysieke ervaringen van onze voorouders via epigenetische mechanismen door generaties heen kunnen worden doorgegeven. Het begrijpen van deze verbinding tussen emotionele trauma’s en epigenetica kan helpen bij het doorbreken van negatieve familiepatronen en het herstellen van emotioneel en lichamelijk welzijn.
Gerelateerde Publicaties



